Preferentiële marge en grootte transactie belangrijkste drijfveren om gebruik te maken van een handelsverdrag

Leestijd 4 minuten

10-5-2021  Het internationale handelsspeelveld wordt momenteel gekenmerkt door toenemend protectionisme. Een liberaliserend handelspolitiek instrument dat juist aan populariteit lijkt te winnen, is het bilaterale handelsverdrag. In dit artikel gaan we dieper in op de kosten en baten van het Comprehensive Economic and Trade Agreement tussen de Europese Unie en Canada. De focus ligt hierbij op het zelfstandig midden- en kleinbedrijf.

Een bilateraal handelsakkoord kan de handel veel goedkoper maken door onder andere tarieven te verlagen of verwijderen, maar het gebruik ervan brengt ook kosten met zich mee. Het Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA) tussen de Europese Unie en Canada, dat sinds september 2017 voorlopig wordt toegepast, is daar een goed voorbeeld van. Terwijl dit verdrag zo’n 98 procent van de handel vrijmaakt van tarifaire kosten, werd daar in 2019 nog steeds maar bij 62 procent van de Nederlandse importwaarde die daarvoor in aanmerking kwam, gebruik van gemaakt. Hierdoor bleven vele miljoenen euro’s aan mogelijke kostenbesparingen onbenut.

Relatief meer

De kosten van het gebruik van handelsverdragen zitten vooral in de administratieve lasten die gepaard gaan met het aantonen dat de verhandelde goederen hun oorsprong kennen in de regio’s van het handelsverdrag. Deze verantwoordelijkheid ligt in eerste instantie bij de exporteur, die de benodigde certificaten aan de importeur levert. Om de goederen vervolgens onder preferentiële voorwaarden in te kunnen klaren, moet de importeur deze certificaten tonen bij de douane. Bedrijven moeten hiervoor investeren in kennis en IT-infrastructuur. Bovendien doen zij over het algemeen de douaneaangifte zelf, waardoor er een risico op fouten en de daarbij behorende financiële gevolgen (naheffingen) is.

De administratieve lasten uiten zich vooral in de vorm van vaste kosten die met name voor bedrijven met kleinere handelsstromen lastiger te dragen zijn. In de academische literatuur wordt dan ook alom aangenomen dat deze lasten vooral het midden- en kleinbedrijf (mkb) hard raken, waardoor dit minder gebruik zou maken van handelsverdragen. De statistieken tonen echter aan dat het mkb in 2019 relatief meer gebruikmaakte van CETA dan het grootbedrijf: 65 procent van de voor CETA in aanmerking komende importwaarde van het mkb kwam ook daadwerkelijk onder CETA binnen. Bij het grootbedrijf was dit met 35 procent een stuk minder.

Ruim drie keer zo hoog

Bij de veronderstelling dat het mkb minder gebruikmaakt van handelsverdragen, wordt voorbijgegaan aan hoe deze bedrijven de mogelijke voordelen ervaren. Twee belangrijke drijfveren om gebruik te maken van een handelsverdrag zijn de grootte van de transactie en de preferentiële marge, dat wil zeggen het verschil tussen het preferentiële tarief en het tarief dat anders zou gelden. Hoe groter deze twee elementen, hoe groter de mogelijke tarifaire kostenbesparingen.

Aangezien de preferentiële marge zowel bij importtransacties die gebruikmaakten van CETA, als bij transacties waarbij dit niet werd gedaan, 5 procent bedroeg in 2019, lijkt dit geen rol te spelen in het preferentiegebruik. De gemiddelde invoerwaarde was bij CETA-transacties echter ruim drie keer zo hoog (50.000 euro tegenover 15.000 euro) als bij de transacties onder MFN-tarieven (most favoured nation). De tarifaire kostenbesparingen zijn dan ook een stuk hoger bij de transacties die onder CETA binnenkwamen.

Aannemelijk

Om te onderzoeken in hoeverre deze factoren bedrijven van verschillende grootteklassen beïnvloeden in hun preferentiegebruik, hebben we verdiepend academisch onderzoek gedaan. Hieruit komt sterk naar voren dat de mogelijke tarifaire kostenbesparingen een veel belangrijkere drijfveer zijn voor het mkb dan voor het grootbedrijf. Dit komt wederom met name door de grootte van de transactie en niet zozeer door de preferentiële marge. Dit duidt erop dat er een bepaalde grens in de vorm van een minimale importwaarde moet worden geslecht, voordat het mkb gebruikmaakt van CETA. Het is aannemelijk dat de vaste kosten die drempel vormen.

CETA biedt kansen voor midden- en kleinbedrijf

Informeren en ondersteunen

In deze analyse zitten helaas veel zaken die we niet kunnen controleren. Met name de rol van de buitenlandse exporteur blijft nu volledig buiten het zicht. Ook gaat het hier slechts om één jaar aan data van een nog vrij jong handelsverdrag. Desondanks suggereert lopend onderzoek dat het zelfstandig mkb ook bij de import uit andere landen niet onderdoet voor het grootbedrijf voor wat betreft het gebruik van handelsverdragen. Toekomstig onderzoek zal zich richten op hoe verschillen tussen (de oorsprongsregels van) handelsverdragen en bedrijven het gebruik van handelsverdragen verder kunnen verklaren.

Vaststaat dat handelsverdragen kansen opleveren door het verlagen van handelsbarrières. De bilaterale dimensie van die handelsverdragen vergroot echter de complexiteit omtrent de voorwaarden waaraan voldaan moet worden. Het kan daarom veel tijd, geld en moeite kosten voordat de voordelen benut kunnen worden. Terwijl die kosten mogelijk zwaarder wegen voor het mkb, blijkt uit onze analyse dat juist ook de voordelen voor hen zwaarder wegen.

Het is daarom belangrijk dat er, naast het afsluiten van handelsverdragen of het versimpelen van de oorsprongsregels, ook aandacht is voor het informeren van bedrijven over de voordelen van handelsverdragen en hoe ze deze kunnen benutten, en voor ondersteuning daarbij. De kosten zijn namelijk vaak slechts eenmalig, terwijl de voordelen van permanentere en grotere aard kunnen zijn.

Auteurs: Loe Franssen en Janneke Rooyakkers, Centraal Bureau voor de Statistiek. Dit artikel is ook verschenen in globe, het vakmagazine voor internationaal ondernemen.