11-11-2011  Het kabinet heeft de grote lijnen van de aanpak van piraterij nu op orde. Dat bleek uit het debat over dit onderwerp dat de Tweede Kamer hield met de ministers van Veiligheid en Justitie, Buitenlandse Zaken en Defensie.

Hoge eigen bijdrage

De belangrijkste zorg die nog resteert bij zowel EVO als de Tweede Kamerleden is de hoogte van de eigen bijdrage van rederijen, en dus uiteindelijk de verladers, aan de beveiliging door de Nederlandse mariniers. Een te hoge eigen bijdrage brengt de Nederlandse handel in gevaar of werkt clandestiene inzet van private bewakers in de hand.

Ten koste van de marge

Voor de inzet van teams van mariniers, ofwel de Vessel Protection Detachments (VPD’s), wordt nu tussen de 95.000 en de 170.000 euro doorberekend aan reders en hun klanten, de verladers. Dit zijn zulke hoge bedragen, dat het vaak ten koste gaat van de marge die de eigenaar van het vervoerde product, de verlader, verwacht. Als dat zo is, kiest de verlader er voor de deal niet door te laten gaan en zitten ook de rederij en de bemanning zonder werk. Dat is niet goed voor de Nederlandse economie.

Goedkopere manier

Om toch zaken te kunnen doen met de verlader, zullen reders geneigd zijn te zoeken naar een andere, goedkopere manier om het schip te beveiligen. Dat kan door de clandestiene inhuur van goedkope private bewakers. Dat is precies wat het kabinet niet wil. Minister Hillen van Defensie ziet dit ook in en wil werken aan het verlagen van de kostprijs van de inzet van VPD’s.

Internationaal niveau

EVO gaat met het ministerie en de reders in gesprek hoe de kosten zo laag mogelijk te houden. De veiligheid van de bemanning en goederen moet honderd procent gegarandeerd blijven en de handel rendabel. Als ook dit probleem is verholpen, is het Nederlandse beleid een voorbeeld voor andere landen. Omdat 98 procent van de Nederlandse goederen door buitenlandse reders wordt verscheept, is uniformering van beleid op internationaal niveau naar Nederlands model gewenst.