Btw-fraude: de zaak W. Liefting V.O.F.

“F. gaf aan nooit contante betalingen te hebben gedaan”

24-10-2018  In december 2012 legt de Inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, na boekenonderzoek een btw-naheffingsaanslag op van meer dan driehonderdduizend euro over de periode 2007 tot en met 2010 aan W., een handelaar op de bloemenveiling van Aalsmeer. Het nultarief is volgens de inspecteur ten onrechte toegepast. Na afwijzing van het bezwaar gaat W. in 2016 in beroep bij de Rechtbank Haarlem. Wie had gelijk?

In het naheffingstijdvak werden bloemen geleverd aan onderneming F. uit Denemarken. W. stelt voor de leveringen facturen op met 0% btw ten name van door F. opgegeven ondernemers. De facturen worden bij de zendingen gevoegd. Betaling door F. vindt steeds plaats in contanten bij het ophalen van de volgende zending bloemen.

Spookklanten?

De afnemers op de facturen zijn gevestigd in verschillende landen van de EU. De goederen worden elke week in Aalsmeer opgehaald door een Nederlandse transporteur die deze, in opdracht van F., vervoert naar Denemarken. Deze ritten zijn ook terug te vinden in de administratie van dit transportbedrijf. W. weet dat de goederen naar Denemarken vervoerd worden en niet direct naar de afnemers op de facturen. W. gaat ervan uit dat de bloemen in Denemarken door F. worden samengevoegd met andere bloemen, alvorens deze naar de betreffende afnemer worden vervoerd.

Uit onderzoek in 2012 door de inspecteur bij buitenlandse collega’s blijkt echter dat de aankoop van de bloemen niet door de vermelde afnemers op de facturen werden aangegeven in de lokale btw-aangiften. Deze ‘afnemers’ kennen W. en F. naar hun zeggen helemaal niet. Bij herhaaldelijke navraag door de Nederlandse inspecteur bij de Deense belastingdienst of de verwervingen dan door F. bij de belasting werden aangegeven antwoorden de Denen, na ruim drie jaar, dat zij F. (de vermeende fraudeur) hebben bezocht. F. gaf aan nooit contante betalingen te hebben gedaan aan W. en dat hij de afnemers op de facturen van W. niet kent. Verder boekenonderzoek naar de betreffende jaren is volgens de Deense belastingdienst niet mogelijk, omdat de periode te ver in het verleden ligt.

Fraude

De inspecteur stelt vast dat de goederen fiscaal aan F. geleverd zijn. Het is immers bewezen dat de goederen in Denemarken zijn aangekomen. W. had volgens de inspecteur het nultarief niet mogen toepassen omdat W. het btw-identificatienummer van F. niet heeft aangegeven op de facturen. F. heeft bovendien in Denemarken ook geen verwervingen van de goederen in zijn btw-aangifte opgenomen. De Rechtbank wijst er echter op dat deze vereisten niet uit de voorwaarden naar voren komen en dat W. het nultarief correct heeft toegepast. De inspecteur trekt dan de fraudekaart. Ook al zou er wel aan de formele vereisten van het nultarief worden voldaan, zo stelt de inspecteur, dan had W. moeten weten dat er sprake was van fraude in de keten. W. is volledig afgegaan op de verstrekte informatie van F. en heeft daarmee volgens de inspecteur niet zorgvuldig en te goeder trouw gehandeld. De contante betalingen, het via een tussenpersoon handelen met onbekende afnemers en het meezenden van facturen met zendingen wijzen daar overduidelijk op. De inspecteur geeft op de zitting aan dat hij vermoedt dat er ter zake van opvolgende leveringen geen btw aangegeven is. De bloemen zullen wel op de zwarte markt zijn verkocht, zo stelt hij. Bewijzen hiervoor heeft hij helaas niet.

W. geeft aan dat zijn handelswijze in zijn branche niet ongebruikelijk is en de Rechtbank wijst in haar uitspraak op door W. aangevoerde recente jurisprudentie van de Hoge Raad die samenvat dat het nultarief alleen geweigerd kan worden als objectief vastgesteld is:

  • Hoe de fraudeketen van leveringen is ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer (hier W.) in de fraudeketen innam;
  • In welke schakel van de keten de fraude wordt gepleegd en wat de fraude inhield;
  • Op welke gronden moet worden geoordeeld dat de ondernemer wist of had moeten weten van fraude in de keten.

De inspecteur heeft de bewijslast ingeval van een vermoeden van betrokkenheid bij btw-fraude. De betrokken ondernemer hoeft de omstandigheden slechts aannemelijk te maken. De Rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van objectieve bewijzen van fraude.

Dat er in Denemarken geen intracommunautaire verwervingen zijn aangegeven, leidt op zich niet tot de conclusie dat er sprake is van fraude. De Deense belastingdienst heeft blijkbaar ook nooit aanleiding gezien om F. te vervolgen voor fraude. Aan het vaststellen van betrokkenheid van fraude door W. wordt dus niet eens toegekomen.

Het belang van dit arrest

Met dit arrest geeft de Rechtbank duidelijk aan dat de inspecteur gebonden is aan een aantal duidelijke richtlijnen om te mogen stellen dat er sprake is van btw-fraude in de keten en de eventuele betrokkenheid ondernemers bij die fraude. De inspecteur mag niet zonder objectieve bewijzen van de fraude het nultarief weigeren. De ‘zaak’ van de inspecteur is hier gebaseerd op vermoedens en subjectieve speculaties en conclusies. De inspecteur is naar mijn mening verblind geraakt door het idee dat er sprake zou kunnen zijn van fraude en de betrokkenheid hierbij van W., zonder te luisteren naar aangedragen tegenargumenten van W. in het bezwaartraject. De inspecteur ‘voelde’ dat het niet goed zat en gaf aan dat er sprake was van exorbitante omzetten aan de kant van W. door de handel met F., terwijl dit uit de omzetcijfers niet naar voren kwam.

De inspecteur verloor naar mijn mening ook het menselijke aspect uit het oog. W. hing sinds 2012 de dreiging van een faillissement boven het hoofd door de oplegging van de naheffing. De inspecteur liet W. twee jaar wachten op de uitspraak op het bezwaar, waarin vervolgens nauwelijks werd ingegaan op de argumenten in het bezwaar. Het is naar mijn mening nogal wat om als veertig jaar naar eer en geweten handelende ondernemer beticht te worden van betrokkenheid bij fraude zonder dat daar enig concreet bewijs voor blijkt te zijn. Ik hoop dat in de toekomst de inspecteur eerst gedegen bewijzen zal verzamelen voordat er een naheffing wordt opgelegd.

Wanneer nultarief btw?

Op een levering door een onderneming aan een andere onderneming, waarbij de goederen van land A naar land B binnen de EU worden vervoerd, is het btw-nultarief voor de intracommunautaire levering (ICL) van toepassing als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • De leverancier is een btw-ondernemer;
  • De afnemer is een btw-ondernemer;
  • Het eigendom van de goederen wordt overgedragen;
  • De leverancier kan aantonen dat de goederen worden vervoerd naar een ander EU-land.

In het land van aankomst moet de afnemer de intracommunautaire verwerving van de goederen opnemen in zijn btw-aangifte en hierover btw aangeven. Het nultarief kan op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie geweigerd worden wanneer een leverancier wist of had moeten weten dat hij deelnam aan een keten van btw-fraude.

 

Dit artikel is geschreven door Ariane van den Berg en eerder gepubliceerd in globe magazine. Ariane van den Berg werkt als btw-adviseur voor BTW Instituut. De fraudezaak in het besproken arrest werd gevoerd door BTW Instituut. Het is mogelijk dat op het moment van uitgave van dit artikel het arrest nog niet gepubliceerd is door de Rechtbank. Voor meer informatie omtrent het arrest kan contact opgenomen worden met BTW Instituut. (Btw-arrest HAA 16/3297 OB | W. Liefting V.O.F.)

Onze ledenadviseur Evert-Jan
Contact

Vragen over internationaal ondernemen?

Evert-Jan en de andere ledenadviseurs helpen je graag verder