3-07-2012  Op grond van artikel 7:668a Burgerlijk Wetboek geldt dat als drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn gesloten, zonder dat daar meer dan drie maanden tussen zit, de vierde arbeidsovereenkomst als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt. Het uit dienst laten treden van de werknemer voor meer dan drie maanden om vervolgens weer een tijdelijk contract aan te kunnen gaan, biedt de werkgever niet altijd uitkomst, blijkt uit een recente uitspraak van de rechter.

Contracten

De werknemer heeft op basis van drie tijdelijke contracten voor de werkgever gewerkt. De werkgever heeft de werknemer geen vierde contract aangeboden, omdat dan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou ontstaan. Om de werknemer toch te behouden, heeft de werkgever voorgesteld dat de werknemer voor een periode van drie maanden uit dienst zou gaan. In die periode zou de werkgever de WW-uitkering van werknemer aanvullen tot zijn gebruikelijke salaris. De werknemer heeft het voorstel niet geaccepteerd, waarna de werkgever hem heeft laten weten dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen na afloop van het derde contract. De werknemer heeft vervolgens gevorderd dat er een contract voor onbepaalde tijd was ontstaan, omdat sprake zou zijn van een ongeoorloofde ontduiking van art. 7:668a BW.

Kantonrechter

De kantonrechter overwoog dat werkgever aan het einde van de derde arbeidsovereenkomst een heldere keuze had moeten maken, ofwel een einde van rechtswege ofwel het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het aanbod van de werkgever tot aanvulling WW is in strijd met goed werkgeverschap en de werkgever wordt dan ook gehouden aan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Tip

De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat afspreken van herindiensttreding na een tussenpoos van drie maanden na het derde contract geen ontduiking van art. 7:668a BW hoeft op te leveren. Of dat toch het geval is, hangt af van de feiten. Om de kans hierop te verkleinen doet de werkgever er goed aan om in de tussenperiode van meer dan drie maanden geen vergoeding aan werknemer aan te bieden. Uitspraak: Kantonrechter Amsterdam, 11 mei 2012, LJN: BW 6495