08-03-2012  Vrijdag spreekt de Raad van Europese milieuministers over het zwavelgehalte in scheepsbrandstoffen. EVO heeft staatsecretaris Atsma van Infrastructuur en Milieu, die Nederland vertegenwoordigt in de raad, een brief gestuurd met haar standpunten over dit onderwerp.

Voorstel

In de brief staat onder meer dat EVO van mening is dat het invoeren van meer Europese regelgeving voor bedrijven en milieuregels die strenger zijn dan die van hun concurrenten, niet de manier zijn om bedrijven te doen besluiten in Europa te blijven. Het onlangs aangenomen voorstel van de Commissie om het zwavelgehalte in scheepsbrandstoffen te beperken, is een voorbeeld van een ontijdige maatregel, aldus de verladersorganisatie.

Harmoniseren

EVO zegt te begrijpen dat de Commissie het zwavelgehalte voor scheepsbrandstoffen moest harmoniseren met de regels die in 2008 zijn aangenomen door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), namelijk een reductie van 3,5 tot 0,1 procent van de grenswaarde voor zwavel in 2015 voor Het Kanaal, de Noordzee en de Oostzee.

Hogere kosten

Echter, volgens EVO moet deze maatregel worden uitgesteld om het bedrijfsleven de tijd te geven het herstel te versterken. De maatregel verhoogt de kosten voor het bedrijfsleven en heeft dus invloed op de welvaart van burgers zonder dat het automatisch leidt tot duurzame resultaten.

Strenger

In plaats daarvan heeft de Milieucommissie van het Europees Parlement gevraagd de regels veel strenger te maken: de Commissie wil voor overige zeegebieden in de EU een grenswaarde invoeren van 0,5 procent in 2015 en vervolgens 0,1 procent in 2020, evenals een grenswaarde van 0,1 procent in territoriale zeegebieden vanaf 2015. Deze regels moeten worden gezien tegen de achtergrond van een onvoldoende beschikbaarheid van laagzwavelige brandstof en het ontbreken van economisch verantwoorde reductietechnologieën.

Pragmatisch

EVO vraagt de leden van de EU Raad Milieu om een pragmatische beslissing in overweging te nemen en de strenge grenswaarden voor zwavel uit te stellen om investeringen mogelijk te maken voor massaproductie van laagzwavelige brandstof en voor economisch verantwoorde reductietechnologieën.