Goed nieuws voor vervoerders en exporteurs in Nederland

Leestijd 6 minuten

04-08-2020  Sinds een aantal jaar zien we bij het Openbaar Ministerie (OM) een toenemende interesse in vervolgingen voor overtredingen van exportcontrole, strategische goederen en de sanctiewetgeving. Vervolgingen leiden vaak ook tot veroordelingen, en boetes voor overtreding van de exportcontrolewetgeving lopen al snel in de tienduizenden euro’s. De Hoge Raad stelt nu mogelijk paal en perk aan het gemak waarmee rechters veroordelingen uitspreken. Dit is goed nieuws voor vervoerders en exporteurs in Nederland.

Overtredingen van de regels van exportcontrole, strategische goederen en de sanctiewetgeving leveren in veel gevallen economische delicten op onder de Wet op de economische delicten. De wettelijke strafmaxima zijn fors: zes jaar gevangenisstraf en boetes van ten hoogste tien procent van de jaaromzet. Er is inmiddels redelijk wat lagere rechtspraak gewezen, waarbij opvalt dat vaak exporteurs of vervoerders voor het hekje moeten komen. De Hoge Raad heeft zich er echter - op een enkel hoger beroep na - strafrechtelijk nog niet over hoeven uitlaten. Tot nu.

Exportcontrole en strafrecht – een groeimarkt voor het OM

Deze rechtspraak is nog volop in ontwikkeling, maar een aantal trends zijn inmiddels zichtbaar. Een veel gehoord – en terecht – punt van kritiek is dat de rechter zeer snel opzet op het strafbare handelen aanneemt. Dat opzet moet worden bewezen; zonder opzet (of schuld) immers geen strafbaarheid. Een vaak in de zittingszaal gevoerd verweer is onbekendheid met de complexe en snel veranderende wetgeving, een menselijk tekortschieten in de toetsing eraan of simpelweg domme pech. Bij exporteurs van enige omvang is begrijpelijk dat er soms fouten worden gemaakt, maar met een opzet op strafbaar handelen voor financieel gewin of anderszins heeft dit niet per se altijd iets te maken.

Uiteraard zijn er ook gevallen waar de verdachte onderneming wel degelijk willens en wetens probeerde de wetgeving te omzeilen. In dat soort zaken zien we geregeld een complex web van schijnconstructies zoals valse facturen en witwassen. Het is goed dat het strafrecht daar sterk tegen kan optreden.

De rechtbanken hebben zich in het verleden echter vaak ook onverbiddelijk betuigd tegenover verdachte ondernemingen en hun medewerkers die wél te goeder trouw handelen; die hun best doen ervoor te zorgen dat zij weten wat zij uit- of vervoeren, met een vergunning waar nodig. Een sterk signaal gaf de Rechtbank Amsterdam op 21 september 2018: “Dat de medewerker geen kwade opzet had op het zonder vergunning doorvoeren van de goederen, omdat hij zich niet heeft gerealiseerd dat het militaire goederen betroffen, is voor het bewijs van het kleurloos opzet niet van betekenis en disculpeert de medewerker niet.”

De Hoge Raad nuanceert het begrip opzet

Onlangs wees de Hoge Raad zijn eerste strafrechtelijke arrest over exportcontrole en sancties. De zaak ging over de uitleg van nu juist het delictsbestanddeel ‘opzet’. Dit is een welkome eerste zet in de rechtsontwikkeling en van belang voor toekomstige zaken.

De verdachte in deze zaak was een grote luchtvrachtvervoerder die ten laste was gelegd dat hij opzettelijk een aantal militaire goederen heeft doorgevoerd zonder de vereiste vergunning. Het ging om onderdelen van militaire vliegtuigen die via Schiphol werden doorgevoerd naar Ecuador en hun oorsprong hadden in Zuid-Afrika.

De Douane controleerde één collo van 38 kilo op Schiphol. Aangetroffen werd een aantal niet te determineren technische onderdelen voorzien van een aantal labels met technische termen en afkortingen. Ergens stond ook ‘Vliegtuig/Enjin Tipe: Cheetah’. Op de bij de collo behorende airwaybill stond het Ministerio de Defensa Nacional in Ecuador als ontvanger vermeld. De douaniers sloegen aan op het woord ‘Cheetah’ dat zij mogelijk konden terugbrengen naar een Zuid-Afrikaans gevechtstoestel dat die naam draagt.

De Douane voerde nader onderzoek uit bij de afdeling documentatie van de verdachte rechtspersoon. Daar stuitten zij op de bijbehorende house airwaybill en commercial invoice, waarin zij verdere bevestiging vonden van hun verdenking dat het om een zending onderdelen van dit type gevechtsvliegtuig ging ten behoeve van de Ecuadoraanse luchtmacht.

Een werknemer van de verdachte verklaarde over deze zending dat namens de verdachte een summiere melding van deze zending is ontvangen, waarin plaats van vertrek, bestemming, gewicht en als omschrijving ‘consolidation’ is vermeld (zogenaamde FFM-melding). Op basis van deze informatie is aangifte gedaan bij de Douane. Achter de FFM-melding zat de elektronische versie van de airwaybill en de house airwaybill maar deze werd pas bekeken nadat de zending gestopt was. Toen werd duidelijk dat het om vliegtuigonderdelen ging voor de Ecuadoraanse defensie en dat het dus mogelijk vergunningsplichtige goederen betrof.

Het verweer

Namens de verdachte werd onder andere aangevoerd dat er geen bewijs was voor opzettelijke doorvoer zonder vergunning. Toen het vliegtuig landde, wist de verdachte immers niet dat er in deze doos vergunningsplichtige militaire goederen zaten. Op dat moment baseerde de verdachte zich op de beperkte informatie die hij had gekregen van de verzender via de FFM-melding en, zo was de stelling, dat mocht hij ook. Die informatie was onvoldoende om alarmbellen te doen afgaan en de zending te stoppen voor nader onderzoek. Dat maakt, juridisch gezien, dat de verdachte geen opzet had bij het doorvoeren van militaire goederen zonder vergunning en dat vrijspraak zou moeten volgen, aldus de verdediging.

Het oordeel van het Gerechtshof

Het Gerechtshof oordeelde dat de verdachte de beschikking heeft gehad over alle stukken en op grond daarvan heeft geweten dat het aircraft parts voor de Ecuadoraanse defensie betrof. Die wetenschap maakte dat de verdachte er vanuit had moeten gaan dat de goederen militair waren. De verdachte mocht niet vertrouwen op de informatie van de verzender en had een zelfstandige onderzoeksplicht. Het Gerechtshof oordeelt als volgt: “Het verbod om strategische goederen door te voeren zonder vergunning impliceert de verplichting voor de vervoerder om zich, aan de hand van de vervoersdocumenten, op de hoogte te stellen van de aard van de door te voeren goederen.”

If you can’t stand the heat, stay out of the kitchen, lijkt het Gerechtshof te zeggen. Zijn honderdprocentcontroles nodig? Is exportcontrole nu een strafrechtelijke risicoaansprakelijkheid? Zeker voor grotere vervoerders is het bezwaarlijk dergelijk zware compliance uit te voeren op elke zending die door hun handen gaat.

De Hoge Raad stelt paal en perk

Dit ging ook de Hoge Raad te ver. In een korte overweging oordeelt deze dat de enkele omstandigheid dat de verdachte er, gelet op deze gegevens, van “had moeten uitgaan dat de goederen een militaire aard hadden”, de gevolgtrekking dat bij de verdachte sprake is geweest van opzet, niet kan dragen. Ook al mocht er vanuit worden gegaan dat de verdachte alle relevante stukken vóór de stopzetting had gezien en inderdaad op dat moment wist dat het aircraft parts waren.

Met andere woorden: ook al had de verdachte op basis van de beperkte informatie wel degelijk aangenomen dat het militaire goederen zijn, maakt dat nog niet dat hij dan dus ook meteen het opzet heeft gehad deze goederen zonder vergunning door te voeren.

Wat betekent dit voor de praktijk?

De Hoge Raad zet met dit arrest een streep door de al te makkelijke aanname door de lagere rechters dat er bij professionele vervoerders al snel sprake is van opzet op strafbaar handelen. De veelvuldig gebruikte bewijsconstructie dat een professionele vrachtvervoerder een zeer vergaande onderzoeksplicht heeft en in de praktijk bij elke twijfel een zending moet stoppen en onderzoeken, lijkt hiermee van tafel. Het OM moet meer bewijs leveren, waaruit blijkt dat een vervoerder serieuze vermoedens had dat er iets niet klopte én daar niets mee heeft gedaan. De keerzijde is dat dus tot op zekere hoogte mag worden vertrouwd op informatie van de verzender, zeker als die bekend is en als betrouwbaar te boek staat. Als er sterke twijfel bij een vervoerder bestaat, zal deze nader onderzoek moeten doen en zo nodig de zending moeten stoppen.

Deze uitspraak brengt de nodige balans aan in het strafrechtelijke vraagstuk van opzet en gooit het speelveld voor de verdediging weer open. De Hoge Raad pleit vervoerders zeker niet vrij; een kritische blik en gepaste maatregelen blijven aan de orde van de dag. Een falende compliance zal nog steeds tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden. Het is echter te hopen dat door dit arrest het OM en de lagere rechters meer begrip zullen gaan opbrengen van wat redelijkerwijs verwacht mag worden van een exporteur of vervoerder qua compliance. Dat is goed nieuws voor alle bonafide vervoerders in Nederland. Deze zijn gelukkig verreweg in de meerderheid.

Tomasz Kodrzycki, advocaat-partner bij BenninkAmar

Onze bedrijfsjurist Peter
Contact

Advies nodig of vragen?

Peter en de andere bedrijfsjuristen helpen je graag verder