10-11-2011  Het is volgens EVO goed dat de Nederlandse overheid goeddeels zelf de verantwoordelijkheid neemt voor de bescherming van Nederlandse koopvaardijschepentegen piraterij. Door de toezegging per jaar tot vijftig risicovolle transporten met Nederlandse mariniers te beveiligen, laat het kabinet zien dat de overheid haar zorgplicht serieus neemt.

De Nederlandse bijdrage aan de anti-piraterijmissies is verlengd en  er is extra geld van het ministerie van Buitenlandse zaken vrijgemaakt voor  het verbeteren van de rechtsstaat in Somalië. Daarnaast wordt de opsporing en vervolging van piraten nu serieus ter hand genomen in Europees verband. Tot slot stellen andere landen meer middelen ter beschikking in de strijd tegen piraterij.

Kritiek

Toch heeft EVO kritiek op de hoge bedragen die het kabinet doorberekent aan de rederijen.  Uiteindelijk worden die kosten door hun klanten, de verladers, betaald.

EVO vindt dat de financiële verantwoordelijkheid een consequentie is van het geweldsmonopolie van de staat, die als taak heeft lijf en goed van Nederlanders, ook op zee, te beschermen.

Het is principieel onjuist dat het kabinet wel het alleenrecht op het gebruik van geweld opeist, maar de inzet van de marine niet volledig wil financieren uit de algemene middelen.

Kosten

EVO vreest dan ook dat de hoge bijdrage van het bedrijfsleven aan de marinebescherming de kostprijs van zeevervoer zodanig opdrijft dat overzeese handel minder aantrekkelijk wordt.

Daarom doet EVO een beroep op de Tweede Kamer om de minister van Defensie aan de tand te voelen over de juridische houdbaarheid van de doorberekening van kosten voor marinebeveiliging en om de minister te vragen de voorwaarden voor de inzet van de Vessel Protection Detachments te versoepelen.

Vanavond vergadert de Tweede Kamercommissie voor Defensie over de aanpak van piraterij door het kabinet.