23-01-2015  Minister Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu) heeft een voorkeur voor de Noord- én de Oostzee als stikstofzone voor de zeescheepvaart. Dit gaf de minister eerder deze week aan tijdens een Tweede Kamer debat over scheepvaart.

Rusland

In 2014 blokkeerde Rusland nog een voorstel van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) om de Noord- en Oostzee per 2016 aan te wijzen als stikstofzone. Een dergelijk verzoek moet bij de IMO worden ingediend en daar door alle kuststaten van het betreffende zeegebied worden aanvaard. Rusland wilde dit uitstellen tot 2021.

Tijdens die bewuste IMO-vergadering is tussen alle landen een compromis bereikt dat de kuststaten van de Noord- en de Oostzee onderling moeten onderhandelen hoe nu verder gegaan moet worden. Het ziet ernaar uit dat op zijn vroegst in 2018 de Noordzee als stikstofzone kan worden aangemerkt. Gezien de positie van Rusland zal de Oostzee in ieder geval niet voor 2021 tot stikstofzone worden aangewezen.

Overleg

In de komende maanden zullen alle stakeholders, dus ook EVO, door het ministerie van Infrastructuur en Milieu worden geconsulteerd of Nederland moet vasthouden aan de voorkeur om alleen de Noord- en Oostzee gezamenlijk tot stikstofzone aan te wijzen, of dat de Noordzeelanden ook zonder de Oostzeelanden een aanvraag kunnen indienen bij IMO. De Noordzeelanden zullen daarna overleggen en onderhandelen over een eventuele aanvraag bij IMO.

Nieuwe schepen

De stikstofzone, die per 2016 al zal gelden voor Noord-Amerika, geldt alleen voor zeeschepen die vanaf dat moment worden gebouwd. Bestaande schepen hoeven dus niet aan de strikte emissie-eisen te voldoen. Dit is een voorwaarde waar minister Schultz van Haegen aan vasthoudt om de hogere kosten voor rederijen, en dus verladers, te beperken.

Uitgangspunt EVO

Voor EVO is en blijft het uitgangspunt dat de kostenverhoging die met de invoering van de stikstofzone gepaard gaat in een juiste verhouding moet staan met de maatschappelijke baten. Met andere woorden, de verbetering van luchtkwaliteit moet groter zijn dan de kosten van invoering van de strenge emissie-eisen.