Zoetermeer, 15 juni 2011

Transport en Logistiek Nederland (TLN) en verladersorganisatie EVO zijn in hun eerste reactie voorzichtig positief over de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte die minister Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu gisteren presenteerde. TLN en EVO ondersteunen de doelstelling om de Nederlandse economie en de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor bedrijven te versterken, maar zijn wel van mening dat de Structuurvisie te weinig aandacht besteedt aan de rol van het goederenvervoer . De organisaties kunnen zich ook goed vinden in de focus op investeringen die gericht zijn op een betere bereikbaarheid van de zogenaamde main-, brain- en greenports, inclusief de achterlandverbindingen.

Nieuwe bereikbaarheidsnormen

De plannen van Schultz roepen ook een aantal vragen op. Zo stelt zij een nieuwe ‘indicator’ voor om de kwaliteit van de bereikbaarheid te beoordelen. Vergeleken met de bestaande normen voor bereikbaarheid uit de Nota Mobiliteit, lijkt het erop dat er met de nieuwe indicator minder bereikbaarheidsproblemen zouden zijn. TLN en EVO vrezen dat op deze manier problemen kunnen worden ‘weggerekend’, zodat in praktijk minder nieuwe infrastructuur hoeft te worden aangelegd.

Aandacht voor goederenvervoer mager

Het verbeteren van de bereikbaarheid lijkt vooral vanuit het personenverkeer te worden bekeken. Volgens TLN en EVO is meer positieve aandacht voor het goederenvervoer in de Structuurvisie gewenst. Voor de organisaties bestaat de basis voor een robuust mobiliteitsysteem allereerst uit een betrouwbaar wegennet. Het meeste goederenvervoer vindt plaats op afstanden korter dan 100 kilometer, waardoor voor het transport van veel goederen geen ander alternatief bestaat dan via de weg. Multimodaal vervoer is vooral geschikt voor vervoer over lange afstanden. Aanleg van nieuwe overslagterminals om multimodaal vervoer te stimuleren zijn daarvoor onmisbaar. Volgens TLN en EVO valt hier in de Structuurvisie nog een belangrijke slag te slaan. De minister geeft niet aan wie daarin het voortouw moet nemen en wie het netwerk van terminals moet coördineren, waardoor de bouw van nieuwe terminals te lang uitblijft. TLN en EVO vinden het jammer dat in de Structuurvisie geen aandacht wordt besteed aan voldoende veilige parkeerplaatsen voor vrachtauto’s langs de Rijkswegen op de belangrijke transportcorridors.

Doorstroming en bereikbaarheid steden

TLN en EVO ondersteunen het idee om doorgaand verkeer en bestemmingsverkeer van elkaar te scheiden. Dit bevordert de doorstroming met name rondom de steden. Ook het pleidooi om in de hele Randstad alle snelwegen minimaal 2x4 rijstroken aan te leggen, kan op steun van TLN en EVO rekenen. Deze capaciteit is voor Nederland van groot belang om internationaal concurrerend te kunnen blijven. Opvallend is dat het onderwerp stedelijke distributie geen plaats meer heeft in het Rijksbeleid, terwijl ook dit voor de doorstroming rondom de steden van groot belang is.  Afgelopen jaren heeft het Rijk een aanjagende rol gespeeld bij het vlottrekken van overleg tussen gemeenten, winkeliers en vervoerders over efficiëntere bevoorrading van de binnensteden. De door minister Eurlings aangestelde Ambassadeur Stedelijke Distributie heeft hier ook aan bijgedragen. TLN en EVO vrezen dat - nu het Rijk het onderwerp aan de gemeenten over lijkt te laten - de aanpak van de Ambassadeur, en dus centrale regie, verdwijnt. Vervoerders en verladers blijven dan achter met de bestaande wirwar aan regels, waardoor de vele knelpunten in de stedelijke distributie blijven bestaan.

Kilometerheffing

Het afschieten van de kilometerheffing heeft ervoor gezorgd dat het Rijk moeite heeft voldoende geld beschikbaar te krijgen voor verbetering van de infrastructuur en doorstroming. De Structuurvisie heeft een termijn die tot 2040 loopt. TLN en EVO denken dat Nederland op de lange termijn niet ontkomt aan een vorm van kilometerheffing voor zowel vracht- als personenvervoer. Bovendien zijn andere Europese landen eveneens bezig met de ontwikkeling van een systeem voor ‘anders betalen’. De verwachting is dat Nederland niet kan achterblijven, om onze economische positie niet in gevaar te brengen.