Inzet zzp’ers

Stand van zaken medio 2019

Tijdens de behandeling van de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) in zowel de Tweede als de Eerste Kamer was veel te doen over de zzp-constructie en het ontbreken van duidelijk beleid na de afschaffing van de VAR-verklaring.  De term ‘waterbedeffect’ is daarbij veel gebruikt. Dat was vooral uit angst dat door de maatregelen van de WAB (zie onze Whitepaper over de WAB) meer problemen zouden ontstaan op een ander deel van de arbeidsmarkt, namelijk voor de inzet van zzp’ers. In de praktijk blijkt het moeilijk om een goed evenwicht te creëren tussen de bescherming van zzp’ers aan de onderkant en de ruimte voor échte zzp’ers om te ondernemen aan de bovenkant. 

In het regeerakkoord 2017 – 2022 kondigde het kabinet enkele maatregelen aan om de positie van zzp’ers te verbeteren. Ook zou de rechtsverhouding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer worden verduidelijkt om beide partijen meer zekerheid te bieden over het al dan niet bestaan van een dienstbetrekking. Minister Koolmees heeft naar aanleiding van de geuite kritiek de maatregelen die betrekking hebben op de inzet van zzp’ers verder uitgewerkt. Hij omschreef die maatregelen in een brief die op 24 juni 2019 aan de Tweede Kamer is gestuurd. Hieronder volgt een toelichting op deze maatregelen.

Concrete uitwerking regeerakkoord

  1. Aan de onderkant: een minimumuurtarief voor zzp’ers van 16 euro (prijspeil 2019);
  2. Aan de bovenkant: een zelfstandigenverklaring voor zzp’ers met een hoog uurtarief vanaf minimaal 75 euro per uur (uitwerking ‘opt-out’); 
  3. Verduidelijking gezagscriterium in het Handboek loonheffingen van de Belastingdienst.
  4. Voor alle opdrachtgevers van zzp’ers: een webmodule om te beoordelen of gewerkt wordt buiten dienstbetrekking, de zogenoemde ‘opdrachtgeversverklaring’.

Deze vier maatregelen wijken iets af van de eerder in het regeerakkoord genoemde voorstellen. Zo is bij betaling onder het minimum uurtarief van 16 euro niet van rechtswege sprake van een arbeidsovereenkomst, zoals in het regeerakkoord was opgenomen Dit zou namelijk leiden tot strijd met Europees recht. Daarnaast wordt de opt-out mogelijkheid verder uitgewerkt.

Ad maatregel 1: Minimumtarief voor zzp’er van 16 euro per uur

Er komt een generiek minimumtarief van 16 euro per uur voor zzp’ers. Het minimumtarief zal voor iedere zzp’er gelden. Het maakt daarbij niet uit wat de duur van de overeenkomst is of wat het karakter is van de te verrichten werkzaamheden. Het tarief geldt daarnaast voor zowel binnenlandse als buitenlandse dienstenverrichters. Hiermee wordt volgens de minister voorkomen dat zzp’ers tegen een te laag tarief werken; ze worden bovendien beschermd tegen armoede. Daarnaast wordt het verschil tussen werknemers en zelfstandigen aan de onderkant van de arbeidsmarkt verkleind. Let op: indien minder dan het minimumtarief wordt betaald is – in tegenstelling tot de eerste uitwerking in het regeerakkoord – van rechtswege geen sprake van een arbeidsovereenkomst.

Wat heeft dit voor gevolgen voor de praktijk? Wie een zelfstandige wil inhuren, zal de opdrachtnemer van tevoren een kostenoverzicht moeten overhandigen, met daarin een schatting van de te besteden uren en de kosten. Aan de hand van dit overzicht kan gecontroleerd worden of het minimumtarief wordt gehanteerd. Blijkt achteraf dat de opdrachtnemer meer uren heeft gewerkt (of dat de kosten hoger zijn en dat het tarief daardoor onder het minimumtarief zou uitkomen), dan komt dit in geval van een zakelijke opdrachtgever voor rekening van de opdrachtgever; hij moet bijbetalen. In geval van een particuliere opdrachtgever is het van belang of voorafgaand bleek dat minimaal het minimumuurtarief gerekend werd. Is dit inderdaad het geval, dan komt een lager uurtarief achteraf niet voor rekening van de particuliere opdrachtgever. 

Het is voor de zakelijke opdrachtgever dus van belang om na te gaan of de gegevens die de opdrachtnemer vooraf aanlevert aannemelijk zijn, zodat hij niet achteraf verrast wordt met een hogere rekening. Een zzp’er kan bij de rechter naleving van het minimumtarief afdwingen en de Inspectie SZW zal daarnaast toezicht houden op toepassing van het minimumtarief.

Ad maatregel 2: De zelfstandigenverklaring

Voor zzp’ers met een hoog uurtarief, minimaal 75 euro per uur, wordt de zelfstandigenverklaring ingevoerd. Dit is een verruiming van de  ‘opt-out’ optie in het regeerakkoord. Een geldige zelfstandigenverklaring zorgt ervoor dat, naast een vrijwaring voor loonheffingen en premies werknemersverzekeringen, een deel van het arbeidsrecht (met uitzondering van internationaal recht), van pensioenen en cao’s niet van toepassing is. Het doel van deze maatregel is om zzp’ers aan de bovenkant van de arbeidsmarkt en hun opdrachtgevers de zekerheid te geven dat ze buiten dienstbetrekking werken. Een werkende met een zelfstandigenverklaring kan dus achteraf geen aanspraak maken op doorbetaling van loon bij ziekte, als blijkt dat de arbeidsverhouding toch als arbeidsovereenkomst is te kwalificeren. 

Partijen stellen zelf een dergelijke zelfstandigenverklaring op, maar kunnen ook gebruik maken van een format dat nog ter beschikking gesteld zal worden.  

Om gebruik te kunnen maken van een zelfstandigenverklaring moet je aan de onderstaande voorwaarden voldoen:

a)    In de overeenkomst van opdracht is opgenomen dat partijen niet de bedoeling hebben een arbeidsovereenkomst aan te gaan;
b)    Een beloning van minimaal 75 euro per uur (prijspeil 2019);
c)    De overeenkomst van opdracht wordt maximaal voor de duur van één jaar aangegaan;
d)    Beide partijen (dus opdrachtgever en opdrachtnemer) ondertekenen de zelfstandigenverklaring;
e)    De opdrachtnemer is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

Let op: Het is heel belangrijk om te kijken of de opdracht aan bovenstaande voorwaarden voldoet. Is dit namelijk niet (meer) het geval, dan geldt de zelfstandigenverklaring – inclusief de rechtsgevolgen – met terugwerkende kracht niet. Dit kan grote (financiële) gevolgen hebben voor de opdrachtgever, omdat hij dan alsnog loonheffingen en premies voor werknemersverzekeringen verschuldigd is. Mogelijk zijn dan ook een cao en pensioenregeling van toepassing.

Ad maatregel 3: Verduidelijking gezagscriterium

In het Handboek loonheffingen van de Belastingdienst is een uitgebreide toelichting opgenomen over het gezagscriterium. Om te bepalen of sprake is van zelfstandigheid of van een dienstbetrekking zijn drie elementen van belang. Indien al deze elementen aanwezig zijn, is sprake van een dienstbetrekking:

a)         Verplichting de arbeid persoonlijk te verrichten;
b)         Verplichting tot betaling van loon; 
c)         Er is sprake van een gezagsverhouding tussen de opdrachtgever en de werkende.

Met name de vaststelling van het derde punt is in de praktijk lastig. Daarom is aan de hand van rechtspraak met voorbeelden uitgelegd welke factoren daarbij een rol spelen en aangegeven wanneer wel en wanneer niet sprake is van gezag. 

Aanwijzingen voor bestaan van een gezagsverhouding zijn bijvoorbeeld:

•    De werkende werkte vóór de opdracht in dienstbetrekking bij dezelfde opdrachtgever;
•    De werkzaamheden worden ook verricht door mensen in dienstbetrekking.
•    De arbeidsvoorwaarden en afspraken zijn vergelijkbaar met die voor personeel in dienstbetrekking; 
•    De werkzaamheden bestaan in het opvangen van drukte bij piekmomenten in het werk of door het opvangen van ziekte van ander personeel;
•    De werkzaamheden zijn een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering van de werkgever (bijvoorbeeld een chauffeur bij een transportbedrijf);
•    De werkende krijgt functioneringsgesprekken met de opdrachtgever en/of moet (verplicht) bedrijfstrainingen of bijscholingscursussen volgen.

Ondanks deze toelichting zal het nog steeds lastig zijn dit te beoordelen en kan de vierde maatregel hierbij helpen.

Ad maatregel 4: De webmodule en de opdrachtgeversverklaring

De vierde maatregel is het invoeren van een webmodule. Aan de hand van de in te vullen vragenlijst die aan de webmodule ten grondslag ligt, wordt beoordeeld of buiten dienstbetrekking wordt gewerkt. Als de conclusie is dat de werkzaamheden buiten dienstbetrekking worden verricht, dan geeft de webmodule een zogenaamde opdrachtgeversverklaring af. Omgekeerd wordt geen verklaring afgegeven als door de webmodule niet vastgesteld kan worden dat buiten dienstbetrekking kan worden gewerkt. Dat betekent niet direct dat sprake is van een dienstbetrekking; alleen dat de tool dat op basis van de gegeven antwoorden niet heeft kunnen vaststellen.

Door de opdrachtgeversverklaring krijgt de opdrachtgever onder andere zekerheid dat hij geen loonheffingen en premies voor werknemersverzekeringen moet afdragen. Het is dus belangrijk de opdrachtgeversverklaring goed op te slaan, aangezien dit niet bij de Belastingdienst wordt geregistreerd. Het invullen van de webmodule is niet verplicht, maar wel aan te raden aangezien op die manier zekerheid wordt verkregen over de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Let op: de opdrachtgeversverklaring is alleen geldig, als de vragenlijst van de webmodule naar waarheid is ingevuld en uit de praktijk blijkt dat hier ook naar wordt gehandeld.

Handhaving bij kwaadwillenden

De Belastingdienst heeft de handhaving van de Wet DBA in eerste instantie opgeschort tot 1 januari 2020, tenzij er sprake is van kwaadwillendheid. Voor kwaadwillendheid moet de Belastingdienst aantonen dat er sprake is van:
 

  1. Een (fictieve) dienstbetrekking.
  2. Evidente schijnzelfstandigheid.
  3. Opzettelijke schijnzelfstandigheid. 

Dit is een zware bewijslast. Nu de inwerkingtreding van de bovenstaande maatregelen pas wordt verwacht in 2021, zal de handhaving verder worden opgeschort tot 1 januari 2021. Let op: de mogelijkheden tot handhaving bij kwaadwillenden zijn wel aangescherpt. Vanaf 1 januari 2020 kan de Belastingdienst namelijk ook handhaven als de opdrachtgevers de aanwijzingen van de Belastingdienst niet opvolgen binnen een redelijke termijn. De Belastingdienst zal aanwijzingen geven, indien de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de huidige loonheffingen niet in overeenstemming is met de huidige wetgeving.

Hoe verder?

Bovenstaande maatregelen moeten nog in wetgeving worden uitgewerkt. Minister Koolmees heeft in zijn brief aan de Tweede Kamer geschreven dat hij verwacht deze wetgeving in het derde kwartaal te kunnen voorleggen voor internetconsultatie. Wij zullen de ontwikkelingen over de inzet van zzp’ers blijven volgen en daarover via onze verschillende media communiceren.
 

Onze bedrijfsjurist Peter
Contact

Advies nodig of vragen?

Peter en de andere bedrijfsjuristen helpen je graag verder