Tweede Kamer stemt in met rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst bij laag uurtarief
Leestijd: 2 minuten
Nieuwe wet tegen schijnzelfstandigheid komt dichterbij
06-05-2026 De Tweede Kamer heeft ingestemd met een wetsvoorstel om schijnzelfstandigheid aan te pakken. Dit voorstel introduceert een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij een laag uurtarief. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2027.
De nieuwe wet heeft gevolgen voor bedrijven in de handel en logistiek. Laagbetaalde zzp’ers inzetten wordt juridisch minder vrijblijvend. Bestaande samenwerkingen vragen om een zorgvuldige herbeoordeling.
Wat regelt de wet?
De wet wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en introduceert een wettelijk rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij een laag uurtarief. Verdient een zelfstandige minder dan 38 euro per uur (prijspeil 1 januari 2026, mogelijk nog te indexeren), dan kan hij of zij zich bij de rechter beroepen op het rechtsvermoeden. In dat geval moet de opdrachtgever aantonen dat wél sprake is van zelfstandig ondernemerschap.
Lukt dat niet, dan kan de rechter oordelen dat er een arbeidsovereenkomst is. De werkende kan dan aanspraak maken op rechten zoals loondoorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming, cao-bepalingen en/of pensioen.
Werken onder tariefgrens
De wet introduceert geen minimumuurtarief voor zzp’ers. Werken onder de tariefgrens blijft toegestaan, maar vergroot het juridische risico voor opdrachtgevers.
Het rechtsvermoeden werkt alleen als de werkende (of bijvoorbeeld een vakbond) hier een beroep op doet. Toezichthouders zoals de Belastingdienst en de Nederlandse Arbeidsinspectie kunnen dit specifieke instrument niet gebruiken, maar kunnen wel zelfstandig handhaven op schijnzelfstandigheid.
Gevolgen voor handel en logistiek
Handels- en productiebedrijven werken veel met zzp’ers. Bijvoorbeeld met zelfstandige chauffeurs, magazijnmedewerkers en planners en bij werkzaamheden op douanegebied. Bij dit soort functies liggen de uurtarieven regelmatig onder de tariefgrens. Dit terwijl het werk vaak structureel onderdeel is van de organisatie en onder aansturing wordt uitgevoerd. Dat vergroot het risico dat een werkende met succes een beroep doet op het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst.
Advies aan bedrijven
Voor bedrijven in de handel en logistiek is het daarom verstandig de inzet van zzp’ers opnieuw tegen het licht te houden. Daarbij speelt niet alleen het uurtarief een rol, maar vooral ook het feitelijk inrichten van de werkzaamheden. Naarmate tarieven onder 38 euro liggen, werkzaamheden structureel zijn ingebed en sprake is van aansturing, neemt het risico toe. Het beperken van gezagsverhoudingen en beter onderbouwen van zelfstandig ondernemerschap, bijvoorbeeld door inzet voor meerdere opdrachtgevers of gebruik van eigen middelen, wordt daarmee belangrijker.
Aanhoudende onzekerheid
In de praktijk blijft het lastig om te bepalen wanneer sprake is van zelfstandig ondernemerschap en wanneer van een arbeidsovereenkomst. Het ontbreken van duidelijke wettelijke criteria zorgt voor aanhoudende onzekerheid en maakt dat bedrijven terughoudend zijn bij het inrichten van hun flexibele schil.
Onderdeel bredere zzp‑wetgeving
Het rechtsvermoeden was onderdeel van het wetsvoorstel VBAR, waarbij deze letters staan voor Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden. Het deel van dat voorstel dat duidelijkheid moest geven over wanneer iemand werknemer of zelfstandige is, is voorlopig geschrapt.
Daardoor blijft de beoordeling voorlopig gebaseerd op bestaande rechtspraak (zoals het Deliveroo-arrest). Dit zorgt in de praktijk voor onzekerheid. De verwachting is dat er meer duidelijkheid komt in een aparte Zelfstandigenwet.
Stand van zaken
Het wetsvoorstel over het rechtsvermoeden is op 21 april 2026 aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer moet nog instemmen. Pas na publicatie in het Staatsblad treedt de wet in werking.
Vragen over juridische zaken?
Marinke en haar collega's helpen je graag verder
