11-02-2026
Gastcolumn - Geïntegreerde aanpak schept ruimte voor duurzaamheidsambities
GIn december 2025 bereikte de Europese Unie (EU) een politiek akkoord over de zogenoemde Omnibus I-voorstellen. Deze zijn bedoeld om drie belangrijke EU-regelingen op het gebied van verantwoord en duurzaam ondernemen te vereenvoudigen: de Corporate Sustainability Due Diligence Directive, de Corporate Sustainability Reporting Directive en de taxonomieverordening.
De kern van het akkoord is dat de drie wettelijke regelingen – en de bijbehorende (rapportage)verplichtingen – voor minder bedrijven gaan gelden dan eerder voorzien. Alleen grote en zeer grote ondernemingen vallen eronder. Voor de meeste daarvan gaan de verplichtingen bovendien pas later in, tussen 2027 en 2029, afhankelijk van de regeling en de omvang van het bedrijf. Wat onveranderd blijft, is dat bedrijven verplicht worden om met gepaste zorgvuldigheid (due diligence) te ondernemen en/of daar transparant over te rapporteren.
Minder dubbel werk, lagere kosten en meer duidelijkheid
Liesbeth Enneking is hoogleraar Corporate Responsibility & Sustainability aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Dit betekent dat ze mogelijke en daadwerkelijke negatieve gevolgen van hun activiteiten voor mens en milieu moeten identificeren, voorkomen en aanpakken, én hierover verantwoording moeten afleggen. Daarbij gaat het niet alleen om eigen activiteiten, maar ook om die van dochtermaatschappijen en directe en indirecte ketenpartners. Wel worden er grenzen gesteld aan wat van kleinere ketenpartners mag worden gevraagd.
Naast deze brede procesgerichte regelingen zijn de afgelopen jaren meer specifieke EU-regelingen vastgesteld, gericht op bepaalde producten of risico’s. Voorbeelden zijn de ontbossings-, batterijen- en antidwangarbeidverordening. Hoewel deze regelingen dezelfde doelstelling hebben – bevorderen van verantwoord en duurzaam ondernemen via (transparantie over) due diligence – verschillen ze in opzet, reikwijdte, handhaving en terminologie. Zo verschilt per regeling welk deel van de waardeketen onder de verplichtingen valt en wat bedrijven geacht worden van hun ketenpartners te vragen: aanleveren van bepaalde informatie en/of uitvoeren van bepaalde maatregelen.
Door deze verschillen raken de overeenkomsten tussen de regelingen uit beeld. Bedrijven zien door de bomen het bos niet meer, implementeren iedere wet afzonderlijk en ervaren hoge regeldruk. De oplossing daarvoor ligt echter niet in het aanpassen van de regels, maar in de geïntegreerde implementatie ervan.
Een logisch uitgangspunt voor een samenhangende aanpak is het zesstappenmodel voor due diligence uit de OESO-richtlijnen, dat eenvoudig, effectief en ruim toepasbaar is. Het vormt ook een basis voor aankomende verplichtingen zoals die rond verpakkingen (PPWR), circulaire materialenplannen (CMP) en digitale productpaspoorten (Ecodesign). Tegelijkertijd vragen bestaande regels en processen soms al hetzelfde van bedrijven, maar in een andere context of onder een andere noemer. Voorbeelden zijn regels over chemische stoffen (REACH) en koolstofemissies (CBAM), en processen zoals de levenscyclusanalyse (LCA).
Een geïntegreerde aanpak helpt bedrijven om efficiënter aan duurzaamheidsregelgeving te voldoen: met minder dubbel werk, lagere kosten en meer duidelijkheid. Dit creëert overzicht en samenhang, verlicht regeldruk en bevordert sterkere, veerkrachtigere Europese waardeketens. Daarmee komt ook het doel van de regelgeving weer centraal te staan: voorkomen en verminderen van negatieve effecten van bedrijfsactiviteiten op mens en milieu. En kunnen bedrijven zich richten op hun duurzaamheidsambities in plaats van compliance.
Liesbeth Enneking is betrokken bij het EZ-pilotproject ‘Geïntegreerde benadering van EU-duurzaamheidswetgeving’, waarover recent bij evofenedex een stakeholderdialoogsessie plaatsvond.
Liesbeth Enneking